João Colagem - de kunstenaar - neemt zijn hoed af

João Colagem neemt zijn hoed af voor Wim Keursten

Deze pagina is speciaal gecreëerd voor de persoon en vriend Wim Keursten zodat zijn Poëzie niet verloren gaat. Hij is namelijk van grote invloed geweest op mijn artistieke ontwikkeling.
Ik ontmoette hem in 1995, in Goiânia, Brazilië, waar hij zich als dichter en filosoof bewoog in de artistiek kringen.

Wim Keursten

Wim had een imposante verschijning, maar het was vooral de gelaagdheid in zijn stem die grote indruk op je achterliet.

Ik ontmoette Wim en João in 2000 op een literaire middag in Hoofddorp. Het klikte en ik werd na deze kennismaking uitgenodigd om in datzelfde jaar deel te nemen aan een uitwisseling van Nederlandse en Braziliaanse beeldend kunstenaars. Ik had toen nooit kunnen vermoeden hoe groot de impact zou zijn van deze ontmoeting.
Dit eerste contact met Wim Keursten in Hoofddorp en de spontane manier waarop hij reageerde, was typerend voor hem; met zijn hele hart dronk hij het hier en nu en als hij voelde dat iets resoneerde werd hij geheel bevangen door een aangeboren enthousiasme.
Wim had het talent om bruggen te bouwen. Zijn energie was onuitputtelijk, als een kind dat niet wordt afgeleid door rechte kaders maar dat meedanst op het ritme van het leven. De zintuigen onophoudelijk gespitst op zuiverheid en schoonheid en alles wat hij aanraakte werd onbewust deelgenoot van een groter plan.

Alles valt op zijn plek als je ‘poëzie’ laat werken in de tussenruimte van je dagen, die niets te maken heeft met taal, maar er naar verlangt de ziel te zijn van de wereld.

Wim kende als geen ander de uitwerking van deze ‘Poëzie’.

Josien van Barlo,
(schrijver en beeldend kunstenaar)

Het jongetje in de regen

Het regende bloed.
De Hoer beviel.
De kreun van de klant
kreeg geen naam.

het regende kleuren.
het jongetje groeide.
Aan vader leed hij niet;
zijn moeder zag hij nooit.

Het regende absurd.
Weer in bevalling
stierf de moeder
aan zijn dode broertje.

Het regende stilte.
De regen begroef zich zelf
en het jongetje
dat in hem verdronk.

Uit de dichtbundel: Op zoek naar huid

Waarom de ooievaar alleen meisjes brengt

Op mijn gemak onder de mangaboom
leek me tijd
wat mensen verweg elkaar aandoen.

De helft van de mangas schaduwt de straat.
De andere helft lokt de straat jongens.
Twee keer per jaar ontspringen

Aan onze mangaboom
Vruchten en jongens.
Immer op tijd.

Het regende stilte. De regen begroef zich zelf en het jongetje dat in hem verdronk.

Uit het boek: Woorden groeien niet aan letters

Ik ken geen soldaten

Ik ken geen soldaten
Anders dan zonen.
Ik ken geen generaals
Anders dan gebekt tot doden.
Ik ken geen bommen
andres dan te grooien
op kinderen van ouders.

Soldaten moeten eerst dood
Voor ze weer kinderen
van hun ouders worden.

Van aarde met doden lichamen
Maak je geen bekers om uit te drinken.
Niet omdat het niet mag.
Doden lichamen en aarde mengen zich moeilijk
In het gevecht om wederzijds behoud.
Van aarde met vergane lichamen
maak je geen bekers.
Een geen nieuwe mensen.

Uit het boek: Woorden groeien niet aan letters

Verblind

na het goud en het hout
na de maïs en het rund
na het erts en de kunst
en de zilveren maan
bleef het ene oog
van Indo-América
dat ene oog
aan elke kant van iedere vis
en elke kolk van de rivier
aan elke kant van de leguaan
dat ene oog
waaruit elke tak van elke boom
een oog dat kijkt in elke dag
en alles ziet
zelfs de rug van hem
die drijft als water naar overdaad

Uit het boek: Woorden groeien niet aan letters

Immer alom

In de werkplaats van de stilte
weeft de vrouw een kind
en kind
na kind
haar kind
na kind
geverfd aan de rand van het meer
gemeden door de kaaiman daarin
en man
haar man
na man
haar laatste
De kinderen roepen de vissen
elk bij de naam van de vader
en naam
na naam
ernstig
voornaam
Het water geeft de kinderen een hand
en drinkt in verraad hun bloed
onnozel
onmondig
onschuldig
De vrouw versteent tot maan
en komt vanuit het meer op zoek
maand
na maand
en maand
na jaar

Desondanks

Binnen in ons zit een stukje zon
het laatste dat ik kon redden
eer de rest bloedig verwond
aan de doornen van de macaúba
te onder ging
in de onverzadigbare Araguaia.

Onder de vloer van de hemel
regeren echo en weerschijn
bestendig tegen de wraak
van goden en godenzonen.
Alleen piranha’s verontrusten
het bloeddoorlopen water.

Door de krachtige geur van de veren
zal ik ons laten hijsen
op de vleugels van de jaburú,
ik zal zijn hals en borst tooien
met het stukje zon
op zoek naar genezing.

We zullen het spoor volgen
tot waar de Amazone braakt
in de maalstroom van de tijd.
Modder, bloed en water
kneden in de oceaan
alsnog een zonsopgang.